De koersdalingen op de beurzen deze week leiden tot veel ongerustheid. De vergelijking met de crash van 1929 en de daaropvolgende Grote Depressie duikt op. Terecht? ‘Vergeet de beurskoersen. Het gaat erom wat burgers, bedrijven en overheid doen met de onzekerheid.’
De westerse wereld was de afgelopen twintig jaar een stuk minder welvarend geweest als koersdalingen op de beurs recessies, of erger nog: depressies, zouden veroorzaken. Dan was maandag 19 oktober 1987 – de Amerikaanse beursindex Dow Jones verloor 22,6 procent – de geschiedenis ingegaan als het begin van de tweede Grote Depressie. En dan was maandag 27 oktober 1997 – de Dow duikelde 7,2 procent vanwege de Azië-crisis – het begin geweest van de derde Grote Depressie. En dan was het leeglopen van de internetbubble na 2000 met veel meer ellende en armoede gepaard gegaan dan nu het geval is geweest. Dus moeten we dan schrikken van een Dow Jones die op de laatste maandag van september 2008 7 procentjes verliest? Van een AEX-index die 9 procent inlevert?
We doen dat wel. De beurs heeft de status veroverd van ‘graadmeter van de economie’ en dan is omlaag slecht en omhoog is goed. En bovendien: was het niet de crash op Wall Street in oktober 1929 die vrijwel de gehele geïndustrialiseerde wereld onderdompelde in een poel van armoede en verval, de Grote Depressie van de jaren dertig? Wie zegt mij dat dat niet opnieuw kan gebeuren?
1929 is zo lang geleden dat er alle gelegenheid is geweest voor mythevorming. De belangrijkste: de aandelencrash veroorzaakte de crisis. ‘Nee hoor, het is niet de val van de koersen op Wall Street die de depressie heeft veroorzaakt’, zegt Jan Luiten van Zanden, hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. ‘De crisis van de jaren dertig begon pas goed voelbaar te worden in 1931, toen het bankwezen in Amerika en in Europa ontregeld raakte.’ Lex Hoogduin, hoofdeconoom van Robeco en hoogleraar monetaire economie aan de Universiteit van Amsterdam: ‘Het is vooral een foute beleidsreactie geweest op de onzekerheid na de crash, die van de toenmalige crisis een depressie heeft gemaakt.’
Hoogduin doelt op het beleid van regeringen en centrale banken, die meenden de schade te beperken door strengere regels voor effectenhandelaren af te kondigen, de geldkraan dicht te draaien, fors te bezuinigen en – om de eigen landbouw en industrie te beschermen – door het bouwen van tariefmuren tegen goedkope import. In een wereld die nog geteisterd werd door de naweeën van de Eerste Wereldoorlog bleken dit soort maatregelen fataal te zijn: de economie kwam praktisch tot stilstand.
Een tweede hardnekkig misverstand doet de ronde over de beruchte crash: oktober 1929 was een wereldwijde crash. Het is niet waar. In Amsterdam bijvoorbeeld, bleef het op de Effectenbeurs aan het Beursplein ‘vrij rustig’, volgens gegevens van de Stichting Vereniging voor de Effectenhandel, de stichting die de beursarchieven beheert. 1929 was weliswaar geen best beursjaar met een verlies van ongeveer 15 procent, maar dat was niets vergeleken met de bijna 50 procent die Wall Street moest inleveren. In het jaarverslag van Amsterdamse beurs over 1929 wordt er dan ook geen bijzondere aandacht aangeschonken. Van een slechter beursklimaat is ook in de eerste helft van 1930 nog niets te merken. In die maanden worden zelfs nog tachtig nieuwe bedrijven verwelkomd.
Het Britse zakenblad The Economist voegt nog een derde mythe toe: dat de New Deal – een uitgebreid investeringsprogramma van de Amerikaanse president Roosevelt – de Depressie heeft verholpen. Het blad keek in 1998 – naar aanleiding van de beurscrisis die uitbrak nadat Rusland zijn buitenlandse schulden niet meer kon betalen – uitgebreid terug op de Great Depression en concludeerde dat economen nog niet alles weten over die periode, maar wel “genoeg om de clichés over de crash van oktober 1929 te weerleggen, namelijk dat de Depressie begon met de crash op Wall Street, dat ze aanhield omdat beleidsmakers niets deden en dat het pas goed kwam met Roosevelts New Deal”. Welnu, aldus het blad, “de Depressie begon níet met de ineenstorting van de aandelenmarkten en de beleidsmakers waren juist zeer actief, alleen deden ze precies de verkeerde dingen. En de New Deal heeft niet geholpen, maar de Depressie hoogstwaarschijnlijk slechts verlengd.”
Wat was de crash van oktober 1929 dan wel? Het was het einde van het feestje van de Roaring Twenties, een tijd van schijnbaar onbegrensde mogelijkheden en doldwaze profetieën over nieuwe wereldordes, een periode die zich misschien enigszins laat vergelijken met de tweede helft van de jaren negentig, toen internet “iedereen rijk” zou maken. En een periode waarin steeds vaker en met steeds grotere bedragen, wordt belegd met geleend geld.
Begin september 1929 bereikt de Dow Jones zijn top met ruim 380 punten, en dan beginnen de koersen te dalen, enkele weken achter elkaar. Donderdag 24 oktober slaat de paniek toe. Bij enorme omzetten duikelt de index 9 procent. De ineenstorting is niet compleet, omdat in de loop van de dag grote industriëlen en banken onderling flinke pakketten aandelen uitwisselen, tegen hogere prijzen dan de marktprijzen. Maar na het weekend is er geen houden meer aan. Op maandag verliest de index 13 procent, op dinsdag 12 procent. Vervolgens blijven de koersen een paar weken dalen, tot in november de Dow onder de 200 punten belandt. En dan? Nee, dan volgt niet de Grote Depressie. De koersen herstellen zich en stijgen gematigd tot het midden van het volgende jaar.
Juni 1930 wordt echter de Smoot-Hawley Tariff Act ingevoerd, een wet die al jaren in voorbereiding is en hoge importheffingen oplegt. De wet wordt aangenomen ondanks een collectieve protestactie van meer dan duizend economen. Ze vrezen rampspoed – en krijgen gelijk. Andere geïndustrialiseerde landen volgen het Amerikaanse voorbeeld en in de maanden daarna neemt niet alleen de Amerikaanse import met de helft af, maar ook de export. De werkloosheid stijgt van 7,8 procent begin 1930 naar 16,1 procent in 1931 en 25,2 procent in 1933. De Dow Jones zet midden 1931 een neergang in en bereikt in 1932 zijn dieptepunt op een stand van een gruwelijke 41 punten.
Via het stilvallen van de wereldhandel komt de crisis ook in Nederland terecht. Vanaf het eind van 1930 neemt de economische activiteit in rap tempo af. Een en ander wordt nog verergerd omdat Amerika uit bezuinigingsoverwegingen de hulp aan Duitsland voor de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog stopzet. Dat leidt tot bankfaillissementen in Duitsland en Oostenrijk, waarna buitenlandse tegoeden worden bevroren en de herstelbetalingen aan Frankrijk en Engeland worden stopgezet. Dat heeft weer koersdalingen van het Britse pond tot gevolg (tientallen procenten), met funeste gevolgen voor de Nederlandse export. Ziedaar de Grote Depressie.
Is dit een scenario dat zich kan herhalen? Economen zeggen van niet. “Er zijn meer verschillen dan overeenkomsten tussen 1929 en nu”, aldus Lex Hoogduin. “Ik vind de vergelijking een beetje gevaarlijk. Beelden oproepen van de jaren dertig… dat is erg overdreven. Toen ging het bijvoorbeeld om 40 procent van de huizenbezitters die de lasten niet meer konden opbrengen. Nu gaat het om 4 procent. Niet prettig natuurlijk, maar wel van een heel andere orde. Maar het belangrijkste verschil is de beleidsreactie van overheden. Toen was die gebaseerd op geld uit het systeem halen, nu wordt er geld ingepompt. Het lost niet alles op, maar het helpt wel.” Van Zanden ziet ook het verschil in de wijze waarop met de koersval wordt omgegaan: “Men werkt op internationaal niveau samen, en dat is positief.”
Dat het patroon van de totstandkoming van de Grote Depressie in 2008 niet wordt herhaald, wil echter niet zeggen dat er niets aan de hand is. Voornaamste signaal daarvan is het wankelende vertrouwen in banken, aangestoken door het wantrouwen dat de financiële instellingen de afgelopen twaalf maanden ten opzichte van elkaar opbouwden. “De combinatie van dalende beurskoersen en weinig vertrouwen in banken is een explosief mengsel”, vindt Jan Luiten van Zanden. “Door de cruciale rol die banken nu eenmaal spelen, kan dat de hele economie verlammen.” Het heeft hem verbaasd, zegt hij, dat wantrouwen. “We dachten toch dat we die mogelijkheid hadden ondervangen met maatregelen zoals het verzekeren van spaartegoeden en andere overheidsgaranties.”
Hoogduin ziet als parallel tussen toen en nu de doorgeschoten groei in de kredietverlening. “Op een gegeven moment schiet dat door, mensen denken dat de bomen tot in de hemel groeien. Een zeer beroemde econoom uit die tijd, Irving Fisher, verkondigde een paar weken voor de crash nog dat wat hem betreft de koersen een nieuw duurzaam niveau hadden bereikt.”
Het gevaar van het einde van zo’n periode van overkreditering is dat de machine plotseling stilvalt. Daar is nu geen sprake van. Volgens gegevens die de Europese Centrale Bank afgelopen week publiceerde is de kredietverlening van banken in de eurolanden in augustus met een half procent gegroeid. “Dat vind ik positief”, zegt Hoogduin, Van Zanden: “Veel hangt af van hoe consumenten, bedrijven en overheden zullen reageren op de onzekerheden die er nu zijn. Oppotten is in ieder geval niet het goede antwoord. Dat is wel een les die we uit de jaren dertig kunnen trekken.”
___
Zelfmoordmythe
De Canadees-Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith publiceerde in 1955 het standaardwerk The Great Crash: 1929. Afgelopen week kwam de Nieuw-Zeelandse schrijver Selwyn Parker met zijn versie van wat er allemaal gebeurde rondom Wall Street in 1929. Daarin besteedt hij – net als Galbraith – aandacht aan de zelfmoorden op Zwarte Donderdag. De zelfmoorden die er dus niet waren.
Galbraith schrijft dat de Londense boulevardpers een week na de crash verhalen publiceert over speculanten die uit ramen springen – voetgangers moesten zich met de nodige aandacht een weg banen tussen de lichamen van gevallen handelaren door, zo erg was het. Het is niet waar, zegt Galbraith, er zijn geen zelfmoorden geweest.
Parker vermeldt wat meer details. Rond de middag die donderdag hebben duizenden nieuwsgierigen zich verzameld rondom het beursgebouw. De wildste geruchten doen de ronde, onder meer over de zelfmoord van elf speculanten die morgen. Dan zien ze een arbeider staan die op het dak van een nabijgelegen kantoorgebouw aan het werk is. De man merkt dat hij wordt aangestaard door de menigte, die ervan overtuigd is dat hij op het punt staat te springen. Dat doet hij niet, maar de legende dat die dag een bankier van een dak is gesprongen is geboren. En nog diezelfde dag wordt de legend onuitroeibaar, want de komiek Will Rogers becommentarieerd de crash door te klagen dat je “in de rij moest staan voor een raam om uit te springen”.
Twee zelfmoordgevallen naar aanleiding van de crash zijn later bevestigd, en die vonden beide plaats in november. Een vermogensbeheerder schoot zichzelf dood; het hoofd van een energiebedrijf in de staat New York gebruikte gas om zichzelf om te brengen.
____
Verschenen in AD, 4 oktober 2008.