Duitsers en Fransen zullen nooit vertrouwen op de kapitaalmarkten zoals Britten en Nederlanders dat doen. Pensioenstelsels in Azië en Zuid-Amerika dragen de tekenen van de verschillende manieren waarop tijdperken van kolonisatie eindigde. De stelsels in Scandinavische landen zijn uniek door de lange traditie van sociale zekerheid waarin zij wortelen. Heeft het eigenlijk wel zin pensioenstelsels internationaal te vergelijken?
Als in Frankrijk de officiële pensioenleeftijd 62 jaar is, waarom moet die in Nederland dan 66 en een beetje zijn? Als de rekenrente in Duitsland 3,3 procent is en in Spanje 4,2 procent, waarom moet die in Nederland dan zo’n 1,2 procent zijn? In de verhitte discussies rond het Pensioenakkoord dat afgelopen voorjaar werd gesloten, tierden de schijnargumenten welig. Voor- en tegenstanders van meer of minder spaarzin en prudentie grossierden in vergelijkingen met pensioenstelsels elders. Een weinig zinvolle bezigheid: de oplossingen die wereldwijd voor ‘het oudedagsprobleem’ worden aangeboden, vertonen zoveel variatie dat er van elke denkbare praktijk wel een voorbeeld voorhanden is. Uit die verzameling kan iedereen elementen kiezen die precies in zijn of haar straatje passen. Dat die elementen alleen bestaan in een nationale politieke, economische, culturele en sociale context die vrijwel altijd uniek genoemd kan worden, dat wordt voor het gemak dan maar even vergeten.
Vergeten dus maar, al die verschillende stelsels, en alleen kijken naar ‘jezelf, ergo Nederland’?
Marcel Lever, onderzoeker bij het CPB en auteur van een vergelijkende studie van de stelsels in Denemarken, Zweden, Chili en Australië, kan die stelling maar moeilijk onderschrijven. “Natuurlijk is de institutionele context van belang en het klopt dat in het debat willekeurig elementen van buitenlandse stelsels als argumenten naar voren worden gebracht. Maar als het weerwoord daarop is dat je zoiets niet kunt doen omdat de overige omstandigheden ‘helemaal niet vergelijkbaar’ zijn, dan denk ik als onderzoeker: dat is wel een heel makkelijk argument om elementen die jou niet zinnen, buiten de discussie te houden.”
Keuzemogelijkheden
Vergelijken heeft vanzelfsprekend zin, vindt Lever. Zeker als het gaat om stelsels die relatief veel op elkaar lijken, zoals die in de genoemde landen – plus Nederland. “Dat zijn vijf landen waar deelname aan de tweede pijler verplicht is, tot op zekere hoogte. Die overeenkomst maakt het de moeite waard te kijken naar wat je van elkaar kunt leren. Zo zie je dat de landen uit deze groep die een libertaire traditie hebben, zoals Australië, het individu meer verantwoordelijkheid geven, in de vorm van keuzemogelijkheden. Waarom zou je niet overwegen of dat in landen met een meer corporatistische traditie, waar de sociale partners een sterke rol hebben, ook goed kan werken?”
Ook Eduard Ponds, bijzonder hoogleraar Economie van Collectieve Pensioenen aan Tilburg University en werkzaam bij APG, denkt dat vergelijken vooral nuttig is voor stelsels die op een aantal hoofdpunten overeenkomsten vertonen. “De wereld van de internationale conferenties op dit gebied wordt gedomineerd door de landen met kapitaaldekkende systemen. Dat zal niet toevallig zijn, die zoeken elkaar op”, zegt hij. Ponds deed voor onderzoeksinstituut Nedspar onderzoek naar de wereldwijde diversiteit. Historische gebeurtenissen verklaren de verschillen voor een belangrijk deel, stelt hij. “Voor de stelsels van Europa is met name de aanloop tot en het verloop van de Tweede Wereldoorlog bepalend geweest. De hoge inflatie in Duitsland en de destructie in Duitsland en Frankrijk hadden rampzalige gevolgen voor de middenklasse. Op grote schaal is kapitaal vernietigd. Met een eigen spaarpot ben je kwetsbaar, zo concludeerde men daaruit. Het zou beter zijn de overheid zorg te laten dragen voor oudedagsvoorzieningen.”
Oorlogsgeweld
Groot-Brittannië en andere Angelsaksische landen werden materieel minder zwaar getroffen door het oorlogsgeweld en dat is een gedeeltelijke verklaring voor de blijvende oriëntatie op de kapitaalmarkten als het om pensioenen gaat. Voeg dat bij de bijzondere kenmerken van ‘polderend Nederland’ – met een bezworen schoolstrijd als een van de eerste resultaten – en het fundament voor een uniek pensioenstelsel is gelegd. Kunnen daar dan later ‘zomaar’ andere elementen aan worden toegevoegd? Ponds: “Niet zonder rekening te houden met de context, inderdaad. Je bent sterk afhankelijk van eerder gemaakte keuzes. Maar binnen de groep landen met kapitaaldekking gaan we toch echt meer naar elkaar kijken, de laatste jaren. Zo voert Nederland meer keuzemogelijkheden in, bijvoorbeeld de opname ineens van een groot bedrag bij het ingaan van het pensioen. Dat gaan we invoeren omdat daar in andere landen goede resultaten mee worden geboekt.”
Convergentie kan dat echter niet worden genoemd, laat staan harmonisatie. Op Europese schaal is dat ook niet de bedoeling: pensioenen worden beschouwd als een nationale aangelegenheid, mede omdat die worden vormgegeven door fiscaal beleid. En belastingen, dat ligt gevoelig binnen de EU. Maar helemaal gerust is men er niet op. Nederland roert zich zoals bekend flink als het om Europese pensioeninitiatieven gaat, maar dat moet dus vooral worden begrepen als defensieve en conserverende actie, het bewaken van situatie dat landen hun eigen keuzes kunnen blijven maken.
Langs elkaar heen
Harmonisatie is overigens ook praktisch nauwelijks uitvoerbaar: landen met een omslagstelsel in de tweede pijler kunnen studeren op kapitaaldekking wat ze willen, het ene stelsel voor het andere inwisselen is een onmogelijkheid. Internationaal leven pensioenstelsel dan ook grotendeels langs elkaar heen. Dat blijkt onder meer uit de de cijfers die de OESO tweejaarlijks verzamelt in de studie Pensions at a Glance. Van de 35 landen (ontwikkelde economieën) die daarin aan de orde komen, hebben er slechts 13 een volwaardige pijler die aan arbeid verbonden, zoals de Nederlandse tweede pijler. In 15 van de 35 landen wordt meer dan 90 procent van het pensioeninkomen door de overheid verzorgd.
Een tweede gezaghebbend internationaal overzicht is de Melbourne Mercer Global Pension Index. Die verschijnt elk jaar. Marc Heemskerk, pensioenspecialist van Mercer in Nederland, is de eerste om uit dat overzicht te concluderen dat “niets zo divers is” als pensioenstelsels wereldwijd, al was het alleen maar wat betreft de complexiteit. Grootste tegenstelling is misschien wel de simpele Franse praktijk versus het ingewikkelde Nederlandse systeem. “Kijk maar hoe groot Mercer is in de verschillende landen. Hoe complexer het pensioenstelsel, hoe groter onze vestiging.”
Lering
Maar Heemskerk is het niet eens met de stelling dat er geen convergentie is. “Bij de kapitaaldekkende systemen zie je wereldwijd een trend naar Defined Contribution. Defined Benefit is voorbij en in die zin gaan systemen meer op elkaar lijken.” Of de studie van en het onderzoeken van de verschillende systemen daar een bijdrage aan heeft geleverd, staat echter niet vast. Maar Heemskerk twijfelt niet aan het nut ervan. In het onderzoek van Mercer worden de stelsels beoordeeld op governance, adequaatheid en houdbaarheid en uit de resultaten is zeker lering te trekken over hoe een goed pensioenstelsel over het algemeen in elkaar zit.
Heemskerk: “Les 1: wed voor de dekking niet op één paard. Een mix van omslag- en kapitaaldekking is op de lange termijn het beste. Les 2: hanteer een vorm van verplichtstelling. In Groot-Brittannië is dat helemaal uitgekleed en dat is misgegaan. Les 3: voor een goed pensioen moet je voldoende inleggen. Voor niets gaat de zon op. Als je kijkt naar de landen met de beste pensioenstelsels, dan zijn dit de gemeenschappelijke noemers. Hoezo heeft de studie daarvan geen zin?”
Gepubliceerd, in ietwat gewijzigde vorm, in het magazine van PensioenPro, oktober 2019, uitgave 28.