'Weet wat er leeft in de maatschappij. En kies positie'

, 17 februari 2018.

De massale aandacht voor belastingontwijking door multinationals en vermogenden dwingt het belastingadviesvak tot zelfonderzoek. Philippe Albert, hoogleraar aan Nyenrode Business Universiteit en directeur vaktechniek bij Baker Tilly Berk, noemt het ‘een worsteling’. Maar er is geen ontkomen aan, stelt hij. ‘Een advies dat zonder twijfel legaal is, kan toch maatschappelijk ongewenst zijn. Sluit je ogen daar niet voor. Je kunt erop worden aangesproken. Elke belastingadviseur moet hierover nadenken en zich er een mening over vormen.’

Belastingadviezen kunnen leiden tot maatschappelijke verontwaardiging. Reputaties knakken. ‘Dan kun je zeggen dat de buitenwereld het verkeerd ziet. En dat kun je blijven herhalen. Maar de praktijk wijst uit dat we daar niet veel mee opschieten. Dit gaat niet vanzelf weg. Daarom vind ik dat belastingadviseurs het gesprek moeten aangaan.’

Philippe Albert spreekt voorzichtig, bedachtzaam, af en toe wat langer zoekend naar de juiste formuleringen. Het onderwerp – de ethiek van het belastingadviesvak – verdient dat wel, vindt hij. Bovendien zijn er voor een gesprek hierover weinig platgetreden paden om te begaan. ‘De discussies komen nu op gang. Heel lang is eraan vastgehouden dat dit eigenlijk geen onderwerp is. De belastingadviseur moet zich natuurlijk aan de wet houden, zo werd gesteld, en vervolgens aan de beroepsregels, maar verder kon er geen misverstand over bestaan dat hij moest handelen in het belang van zijn cliënt en niets anders. Punt uit.’

Ethische grens
Dat is nu aan het veranderen, ziet Albert om zich heen. ‘De vraag ligt nu duidelijk op tafel: kan een belastingadviseur wel alles adviseren wat wettelijk is toegestaan? Of zijn er gevallen waarin hij dan een ethische grens overgaat?’ Dat die vraag nu relevant is, ervaart Albert in zijn verschillende hoedanigheden: als wetenschapper, maar ook als directeur vaktechniek bij Baker Tilly Berk, de adviesfirma die in 2014 werd opgeschrikt door een fraudezaak. ‘Sindsdien zetten we elke vergadering minstens één beroepsgerelateerde en ethische kwestie op de agenda.’

Ook als bestuurslid van de NOB ziet hij het tij keren. ‘Ik spreek voor mezelf, maar ik zie daar een duidelijke ontwikkeling. Het bestuur realiseert zich volgens mij steeds meer dat de discussie over belastingontwijking relevant is, dat we daar een visie op moeten ontwikkelen en dat die discussie vakinhoudelijke gevolgen kan hebben. In ieder geval komt het onderwerp elke bestuursvergadering aan de orde.’

Dat een en ander zich niet in een enorm hoog tempo voltrekt, beaamt Albert. ‘Dit speelt nu ruim vijf jaar. Eind 2012 verhoorde een commissie van het Britse parlement vertegenwoordigers van Google, Amazon en Starbucks. De filmpjes daarvan op YouTube zijn veelbekeken door vakgenoten. Commissievoorzitter Margaret Hodge hield die bedrijven toen voor: ‘we beschuldigen u niet van illegaliteit, we beschuldigen u immoreel te zijn’. Die verhoren beschouw ik als het startpunt van de discussies over het fenomeen dat fiscaal wettelijk toegestaan gedrag toch onwenselijk kan zijn.’

Eer en waardigheid
Ettelijke ‘Papers’, ‘Leaks’ en vele commissies later is de vraag alleen maar prangender geworden of – en hoe dan? – ook andere belangen een rol moeten spelen in de advisering. De beroepsregels (van zowel NOB als RB) geven natuurlijk in zijn algemeenheid richting. Als het gaat over de ‘eer en waardigheid’ van het beroep, moeten belastingadviseurs ‘eerlijk, zorgvuldig en behoorlijk’ te werk gaan, zo staat beschreven in de beroepsreglementen. ‘Maar het begrip ‘eer en waardigheid’ is dynamisch’, stelt Albert, ‘het wordt door tijd en plaats bepaald en dus moet het geregeld tegen het licht gehouden worden. Ook nu is het de vraag of dit begrip moet worden aangescherpt, om meer recht te doen aan veranderende maatschappelijke opvattingen over het beroep van belastingadviseur.’

Beperkingen opleggen
Over precies dat onderwerp – moet de belastingadviseur zich beperkingen opleggen naar aanleiding van maatschappelijke verontwaardiging? En welke beperkingen zijn dat dan? – schreef Albert onlangs een artikel voor het Weekblad Fiscaal Recht. De prikkelende kern van het verhaal bestaat uit een achttal voorbeelden van belastingontwijking, oplopend in complexiteit en omvang. Zo wordt ‘tanken in Duitsland’ opgevoerd, om minder accijns te betalen. En het afstorten van spaargeld in de bv om box 3-heffing erover te voorkomen. Of het verstrekken van een onzakelijke lening aan een dochtermaatschappij in bijvoorbeeld Frankrijk. Het zakelijke deel van de rente komt in Nederland in aanmerking voor de deelnemingsvrijstelling, terwijl de rente in Frankrijk geheel aftrekbaar is.

Vervolgens onderzoekt Albert de vraag of en hoe er bij deze besparingen een ethische norm wordt overschreden. ‘Het liefst zouden we hier een objectieve norm voor willen hebben’, licht hij toe. ‘In ieder geval zou ik daar zelf behoefte aan hebben.’

Nationale situaties
Het voorstel dat hij doet is tweeledig. ‘Want ik meen dat we onderscheid moeten maken tussen zuiver nationale situaties enerzijds en internationale belastingontwijking anderzijds.’ Waarom? ‘Omdat in nationale situaties de wetgever vrij eenvoudig de mogelijkheden voor ontwijking kan aanpakken. In grensoverschrijdende situaties is dat behoorlijk ingewikkeld, zo niet onmogelijk. In ieder geval kan dat alleen in samenwerking met alle betrokken landen.’

Dat uitgangspunt – in strikt nationaal verband kan de wetgever ontwijking goed bestrijden – gebruikt Albert dan om zijn stelling te verdedigen dat in fiscaal advies dat alleen betrekking heeft op Nederland eigenlijk nooit een ethische norm kan worden geschonden. ‘Ik kom erop uit dat je in een zuiver nationale situatie geen punt kunt aangeven van waaraf een advies ongewenst zou zijn’, zegt hij. ‘Belangrijkste reden: de mogelijkheden tot ontwijking kunnen eenvoudig ongedaan gemaakt worden door de wetgever. Maar we zien telkens weer dat die mogelijkheden welbewust onder ogen zijn gezien en voor lief zijn genomen. In mijn ogen kun je dan degenen die van die mogelijkheden profiteren, moeilijk maatschappelijk ongewenst gedrag verwijten.’

Internationale context
In een internationale context ligt dat anders, vindt Albert. ‘Het is duidelijk dat belastingontwijking dan veel moeilijker kan worden voorkomen.’ In het genoemde voorbeeld is dat overigens niet geval. ‘Nog niet zo heel lang geleden heeft de Nederlandse wetgever van zijn kant deze mogelijkheid welbewust opengelaten.’ Maar over het algemeen zou Albert wel voorstander zijn van een beperking die belastingadviseurs zich opleggen bij internationale advisering. ‘Bij het ontgaan van enkelvoudige vennootschapsbelasting zou ik willen pleiten voor de overweging of zakelijke motieven leidend zijn voor de transactie en de vormgeving ervan. Is dat het geval, dan is er ethisch niets op aan te merken. Maar als alleen fiscale motieven een rol spelen, dan kan een en ander ethisch betwistbaar zijn. Men maakt immers gebruik van een situatie die onbedoeld is ontstaan. Fiscale adviezen die daarop gericht zijn, lopen een grote kans onderwerp van maatschappelijke verontwaardiging te worden.’ Helemaal waterdicht is dit criterium echter niet, zo maakt Albert meteen duidelijk. ‘Ik denk niet dat dit een honderd procent objectieve norm is. Maar het is in ieder geval iets: een aanzet tot een maatstaf die meer inhoudt dan: als het niet verboden is, mag het.’

Reputatierisico
De gemiddelde mkb-adviseur raakt echter niet verzeild in grensoverschrijdende structuren om vennootschapsbelasting te ontwijken. Business as usual derhalve, voor hem of haar? ‘Absoluut niet’, zegt Albert. ‘Deze discussies raken ons hele beroep. Fiscaliteit trekt nu maatschappelijk de aandacht en bedrijven en personen kunnen op dat aspect ter verantwoording worden geroepen. Dat gaat niet meer weg. Als adviseur wil je dat je cliënten zich daarvan bewust zijn. Dat ze daarvan de risico’s inzien, met name de reputatierisico’s. In de advisering van bijvoorbeeld lokaal of regionaal wat bekendere figuren of beeldbepalende bedrijven moet dat nu een onderwerp zijn: begrijpt men dat fiscaal gedrag een risicofactor is?’

De makkelijkste gesprekken zijn dat niet, beseft Albert. ‘Je wilt ook niet het verwijt krijgen dat je de klant het meest besparende advies te hebben onthouden. Maar het beste is toch dit gewoon open op tafel te leggen, als de fiscale oplossing daar aanleiding toe geeft. Laat zien wat die oplossing is, maar geef ook aan wat er kan gebeuren als daar media-aandacht voor komt: een aantal mensen kan zo’n oplossing dan te agressief vinden. Uiteraard is het aan de klant om de afweging te maken, maar ik denk dat het vooral de verantwoordelijkheid van de adviseur is om een dergelijk gesprek op te starten.’

——

CV Philippe Albert

Philippe Albert (1961) studeerde in 1985 aan de Rijksuniversiteit Groningen af als fiscaal econoom, waarna hij ging werken bij de Belastingdienst. In 1995 promoveerde hij (bij Jaap Zwemmer) op een onderzoek naar het begrip winstgemis, waarna hij in 1997 aan de Universiteit van Amsterdam de studie fiscaal recht afrondde. In dat jaar ook trad Albert in dienst bij het toenmalige Berk – nu Baker Tilly Berk – als directeur bureau vaktechniek belastingadviseurs. Die functie bekleedt hij nu nog.

In 1999 werd Albert benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger aan het Hof Den Haag. Ook die functie vervult hij nog steeds. In 2005 volgde de aanstelling tot hoogleraar aan de Nyenrode Business Universiteit. Albert is daar verantwoordelijk voor het vak Internationaal en Europees Belastingrecht. Sinds 2011 maakt hij deel uit van het bestuur van de NOB.

——

Verschenen in BelastingZaken, nummer 1, februari 2018

——



> Home




Geert Dekker

teksten &
redactie




+31 (0)6 1641 9312
mail@geertdekker.nl


> Home    > Media    > Colofon