De gemeente Amsterdam wil bij het verlenen van horecavergunningen meer zekerheid dat geen crimineel geld is gebruikt voor de financiering. De bonafide horecaondernemer wil dat ook: blijf daarom scherp en alert bij het aangaan van onderhandse leningen.
Hoezo, crimineel geld in de horeca?
Amsterdam heeft onderzoek laten doen naar de vergunningaanvragen voor een horecaonderneming die de gemeente ontving tussen 1 november 2017 en 31 maart 2018. Ongeveer 30 procent van de 337 betrokken ondernemingen was gefinancierd met onderhandse leningen. De Financial Intelligence Unit, onderdeel van de nationale politie, oordeelde dat bij 37 van die ondernemingen ‘verdachte transacties’ voorkwamen. Ruim 10 procent van het totaal dus. Daarnaast werden de financiers onder de loep genomen: 35 procent van de 101 onderzochte personen had een strafblad. Burgemeester Halsema kondigde dit voorjaar aan ernaar te streven voortaan vergunningaanvragen niet te behandelen als de legale herkomst van de financiering niet kan worden aangetoond. Er loopt al een pilot met die werkwijze. In 2018 werd daar een rechtszaak over gevoerd en die werd gewonnen door de gemeente. Halsema moet haar plan nog verder uitwerken en vervolgens moet de gemeenteraad zich daar nog over uitspreken.
Wat is er mis met een onderhandse lening?
In principe niets. Elke vorm van financiering die niet via een bank loopt, kan een onderhandse lening worden genoemd. Zo verstrekken bierbrouwerijen en groothandels leningen. Ook crowdfunding (beter gezegd: crowdlending) valt ook onder de categorie onderhandse leningen, net zoals leningen van familieleden, vrienden of vaste gasten. Een onderhandse lening per definitie als verdacht beschouwen is dan ook niet terecht.
Wanneer gaat het wel mis?
Zodra niet duidelijk is dat het geld een legale herkomst heeft. Banken hebben zogenoemde KYC-regels: Know Your Customer. Bij de acceptatie van een particulier of organisatie als klant moeten zij een screening uitvoeren, uitgebreid of niet, naar de activiteiten van de klant en de herkomst van de middelen. Zo moet bijvoorbeeld als het om een rechtspersoon gaat, de ‘uiteindelijk belanghebbende’ worden opgespoord. Het is niet ondenkbaar dat de gemeente Amsterdam, om witwassen te voorkomen, iets soortgelijks gaat eisen rond vergunningaanvragen voor horecaondernemingen. Voor de ondernemer kan dat lijken op het omkeren van de bewijslast: u bent niet onschuldig tot het tegendeel bewezen is, maar u wordt schuldig geacht tot u zelf het tegendeel aantoont.
Wat zijn signalen die op verdacht geld wijzen?
Ten eerste: onduidelijkheid. Alarmbellen moeten gaan rinkelen als gerechtvaardigde vragen onbeantwoord blijven, of als er inconsistente antwoorden komen. Ten tweede: het aanbod is te mooi om waar te zijn. Blijf scherp en alert, want hoogstwaarschijnlijk deugt er iets niet. Verder loopt witwassen vaak via meerdere tussenpersonen, die allemaal belachelijk veel provisie blijken te krijgen. Ook het gebruik van buitenlandse bankrekeningen kan een signaal zijn, met name rekeningen in belastingparadijzen. Tot slot weet u zeker dat het mis is als u ongebruikelijke verzoeken krijgt, zoals het ophalen of wegbrengen van cash geld of het uitschrijven of verwerken van valse facturen.
Hoe toont u een legale herkomst van het geld aan?
Door optimale transparantie te vragen van de financier. Die zal met schriftelijke bewijzen moeten kunnen aantonen waar het geld vandaan komt. Dat kunnen bankafschriften zijn, eigendomsbewijzen, schriftelijke verklaringen van een advocaat of notaris, et cetera. En vergeet ook niet uw eigen gevoel voor logica en geloofwaardigheid als u ‘het verhaal’ van de financier beoordeelt. Als u waarschuwingssignalen negeert, kan u dat later worden verweten.
Ondernemingen buiten Amsterdam hebben hier niets mee van doen?
Zeker wel. Wie weet overwegen later ook andere gemeenten dan Amsterdam hun vergunningsregels te wijzigen. Afgezien daarvan kan de herkomst van de financiering relevant zijn in uw relaties met financiële instellingen en andere dienstverleners. Die zijn in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht ‘ongebruikelijke transacties’ te melden (bij de al genoemde Financial Intelligence Unit). Dat geldt niet alleen voor banken en verzekeraars, maar ook voor handelaren in auto’s, schepen antiek en juwelen en daarnaast voor advocaten, notarissen, accountants, belastingadviseurs en makelaars. Veelal zijn die beroepsgroepen ook verplicht een cliëntenonderzoek uit te voeren.
Al deze partijen moeten zelf beoordelen wat zij een ‘ongebruikelijke’ transactie vinden. In de wet staat maar één objectief criterium en dat betreft het land waarin uw financier gevestigd is. De lijst met die landen – opgesteld door de Europese Commissie – telt momenteel 23 namen, variërend van belastingparadijzen zoals de Bahama’s en de Maagdeneilanden, tot ‘schurkenstaten’ zoals Noord-Korea, Iran, Irak, Libië en Jemen. Elke transactie met zo’n land moet worden gemeld.
Daarnaast staat in de wet alleen dat het om transacties gaat waarbij de instelling (of dienstverlener) “aanleiding heeft te veronderstellen dat de transactie verband kan houden met witwassen of terrorismebestrijding”. Zo’n subjectief criterium is een middel om iedereen scherp te houden. Het is immers het tegendeel van een checklist, die kan worden afgelopen waarna de partij kan verwachten ‘safe’ te zijn. Dit subjectieve criterium zorgt er echter voor dat elke partij later – als gebleken is dat er iets niet in de haak was – door de rechter kan worden aangesproken op de inspanningen die zijn gepleegd om dit te voorkomen.
Gepubliceerd in Entree, september 2019.